Jordanie

Sluit dit venster


14 tot 21 November 2009

flag


FRANK DEVOS REIZEN
o.l.v. Karel en Lutgarde Demuynck - Roose




Jordanie

Kerngegevens

Geografie

Ligt in het Midden-Oosten en heeft meer dan 6 miljoen inwoners waarvan er ongeveer 1,7 miljoen in de hoofdstad Amman wonen. Het belangrijkste geloof in Jordanië is de Islam en het Arabisch is de voornaamste voertaal, maar op de toeristische plaatsen en in de grote steden wordt ook vaak Engels gesproken.

Jordanië grenst in het westen aan Israël, in het Noorden aan Syrië, in het Noordoosten aan Irak en in het Zuidoosten en het Zuiden aan Saudi-Arabië. In het Noordwesten ligt de Dode Zee, die ligt 420 meter onder zeeniveau en is daarmee het laagste punt op aarde. In het Zuidwesten ligt de Rode Zee, met een uitloper richting Aqaba, via de Golf van Aqaba. Het heeft een mediterraan en woestijnklimaat wat betekent dat er hete, droge zomers zijn, en relatief koude winters.

Ongeveer 91% van het land is woestijn (in het Oosten) en slechts 6% is geschikt voor landbouw. De belangrijkste handelspartners voor Jordanië zijn de USA, Irak China, Duitsland en India. Wat opvalt is dat Jordanië geen eigen oliebronnen heeft en dus afhankelijk is van de invoer van olie en gas. Nog wat informatie over de Jordaanse bevolking: 91% kan lezen en schrijven, Jordanië heeft daarmee het hoogste percentage geletterde volwassenen in de Arabische wereld. Toegang tot onderwijs en gezondheidszorg is over het algemeen genomen goed, en de mensenrechtensituatie wordt redelijk positief beoordeeld, zeker in vergelijking met andere landen in de regio.

Geschiedenis


Oudheid en Middeleeuwen

De allereerste tekenen van menselijk leven dateren van zo’n 10.000 jaar geleden, het stenen tijdperk. Ca. 6000 jaar v.Chr werd Jericho gesticht, een van de oudste steden ter wereld. Tijdens het bronzen tijdperk (1950-1200 v.Chr.) werd de bevolking weer nomadisch en de invloed van het Egypte van de farao’s werd steeds groter. Korte tijd heerste er zelfs een farao, Toethmosis III (1479-1425 v.Chr.), over het huidige Jordanië, dat toen onderdeel was van het rijk Kanaän, dat verder bestond uit Syrië en Israël. In 1230 v.Chr. werden er in Jordanië drie onafhankelijke staten gesticht: Ammon in het noorden, Edom in het zuiden en daartussenin Moab. De opkomst van deze staten kan verklaard worden door de aanwezigheid van handelswegen met het Arabisch schiereiland, zoals de wierookroute naar Jemen. Deze handel legde de drie staten geen windeieren, maar ze werden regelmatig veroverd, door bijvoorbeeld Assyriërs (732 v.Chr.), Babyloniërs (612 v.Chr.), en Perzen (539 v.Chr.). In 330 v.Chr. werd Jordanië veroverd door Alexander de Grote. Bestaande steden werden gehelleniseerd (de officiële taal was bijvoorbeeld Grieks) en er werden nieuwe steden gesticht. In Zuid-Jordanië ontstond in die tijd het rijk van de Nabateeërs met als hoofdstad Petra. In 85 v.Chr. had dit rijk zich uitgebreid van Mekka en Medina tot aan Damascus in Syrië. In het jaar 64 n.Chr. werd Jordanië door de Romeinen veroverd en ontstond er een machtige handelsfederatie na het samengaan van een tiental handelssteden, genaamd Decapolis (Volgens Plinius de oudere: Scythopolis (Bet She'an, Israel), Hippos ,Gadara , Raphana, Dion, Pella, Gerasa, Philadelphia (Amman, Jordanie), Canatha, en Damascus)
Na de Romeinen werd Jordanië bezet door de Byzantijnen (324-636) en maakte opnieuw een culturele en economische bloeiperiode door. Ook toen het Jordaanse grondgebied door moslimlegers uit Arabië was veroverd na de Slag bij Yarmuk in 636 bleef het goed gaan. Zo lag Jordanië centraal tussen de hoofdstad van het Arabische moslimrijk, Damascus, en tussen Mekka, de stad waar veel moslims als pelgrim naar toe gaan. Geleidelijk aan werd de officiële taal Arabisch en de islam de heersende godsdienst.
In de 9e eeuw werd Jordanië weer een stuk teruggeworpen in de vaart der volkeren. De hoofdstad van het moslimrijk werd Bagdad en de handel door de woestijn werd vervangen door de handel via de Rode Zee.

Van Ottomaans grondgebied tot Brits mandaatgebied en onafhankelijkheid


In 1516 werd het gebied veroverd door de Ottomaanse Turken, maar ondanks een heropleving door een nieuwe pelgrimsroute naar Mekka, bleef Jordanië tot in de 19e eeuw een uithoek van het Ottomaanse rijk. Na de Eerste Wereldoorlog kreeg Jordanië min of meer zijn huidige vorm. Toen WO I voorbij was en de Turken verslagen waren, werd het Ottomaanse Rijk ontmanteld. Volgens de afspraken, gemaakt in het geheime Sykes Picot verdrag, werd de provincie Groot Syrië en Palestina van het Ottomaanse Rijk verdeeld in een Britse en in een Franse invloedsfeer: Syrië en Libanon kwamen onder Frans bestuur; (het huidige) Israël , Jordanië en Irak onder Brits gezag. In 1921 werd het gebied aan de oostelijke kant van de Jordaan, Transjordanie, afgescheiden. Het bleef weliswaar deel uitmaken van het Britse mandaatgebied, maar Abdullah, zoon van de sharif van Mekka, mocht er een prinsdom stichten, een emiraat.
In 1946 werd Transjordanie, na de terugtrekking van de Britten, een onafhankelijk koninkrijk: het Hashemitisch Koninkrijk Jordanie (de Hasjemieten zijn directe afstammelingen van de profeet Mohammed). Het mandaatgebied ten westen van de Jordaan werd in 1947 verdeeld in een Joods en in een Palestijns deel. Op 14 mei 1948 werd de staat Israël uitgeroepen.
Alle Arabische buurlanden, Egypte, Libanon, Syrië en Irak verklaarden Israël de oorlog. Koning Abdullah I schaarde zich onder de Arabische staten die zich tegen de jonge Joodse staat keerden. Het is niet waarschijnlijk dat hij een oorlog wilde. Als aangrenzende staat kon hij immers het meest de negatieve effecten van de oorlog voor zijn koninkrijk verwachten, maar nee zeggen tegen de collectieve woede van de Arabische wereld zou hem in een isolement gedreven hebben. Ook hij ging dus met Israél de oorlog, maar wel met tegenzin.
Het was dan ook Abdullah die in de jaren na de oorlog, veel stille diplomatie met Israël heeft bedreven. Regelmatig werd Allenby Bridge overgestoken voor geheim overleg met de Joodse leiders. Het leidde uiteindelijk tot zijn dood, net als premier Rabin van Israel in 1995, werd Abdullah door iemand uit zijn eigen kamp vermoord in 1951 omdat hij zou collaboreren met Israël.
Hij werd opgevolgd door zijn achttienjarige kleinzoon Hoessein, die op 11 augustus 1952 tot koning werd uitgeroepen. Al eerder was gebleken dat Abdullah´s zoon Talal vanwege gezondheidsredenen ongeschikt was om te regeren.
Een ander essentieel moment in de geschiedenis: de zesdaagse oorlog in 1967.
Onder druk van de Arabische landen nam Jordanie in juni 1967 deel aan de Zesdaagse Oorlog tegen Israël die echter desastreus afliep voor de Arabische coalitie. Egypte verloor de Sinaï, Syrië de Golan-hoogvlakte, Jordanië de Westoever van de Jordaan en kreeg er bovendien nog eens ca. 300.000 Palestijnse vluchtelingen bij. Deze hielden zich niet stil, Het land kwam steeds meer in de problemen door de voortdurende aanvallen van Palestijnse guerrillastrijders tegen Israël. De Jordaanse economie stortte in, een van de meest veelbelovende economieën in de Arabische wereld, mede door het verlies van de vruchtbare gronden van de Westelijke Jordaanoever. 
Door het verlies van de heilige christelijke, islamitische en joodse plaatsen verloor het land belangrijke inkomsten uit toerisme, buitenlandse investeringen kwamen op een laag pitje te staan en ontwikkelingsprojecten werden op de lange baan geschoven.
Koning Hoessein besloot al zijn energie aan te wenden voor de wederopbouw van zijn land, voor een rechtvaardige en duurzame vrede. Niet alleen voor de Palestijnen in zijn land, maar voor de stabiliteit in de hele regio. Deze inzet is tekenend voor de rol die koning Hoessein speelde in de regio.
In 1978 trouwde koning Hoessein met een vrouw van Arabisch-Amerikaanse afkomst, zij werd Koningin Noor Al Hoessein.
In de Eerste Golfoorlog tussen Irak en Iran (1980-1988) koos Jordanië de zijde van Irak en verleende dat land vooral logistieke steun. Dit leidde tot ernstige spanningen met het buurland Syrië. Sinds 1986 vond er echter weer een voorzichtige toenadering tot Syrië plaats. De banden met Irak bleven echter nauw, niet in het minst doordat Irak Jordanië van (goedkope) aardolie voorzag.
Pogingen van koning Hoessein om zijn aanhang op de Westelijke Jordaanoever te vergroten en geheime onderhandelingen met de Israëlische minister Peres, leidden niet tot concrete resultaten. In december 1987 brak de ‘intifada’ uit, de Palestijnse opstand in de bezette gebieden. Als gevolg hiervan deed Hoessein op 30 juli 1988 officieel afstand van de Westelijke Jordaanoever.
Door de olierijkdom van Irak raakten beide landen financieel en economisch met elkaar vergroeid. Toen Irak op 2 augustus 1990 Koeweit binnenviel, werd Jordanië dan ook in het conflict meegesleurd. De (Palestijns) Jordaanse bevolking vond de anti-Israëlische en anti-Amerikaanse houding van de Iraakse president Saddam Hoessein prachtig en Hoessein kon dit niet negeren. Hij probeerde nog wel te bemiddelen in het conflict maar vooral de relatie met de Golfstaten en Saoedi-Arabië verslechterde aanzienlijk, ook toen Irak duidelijk aan de verliezende hand was.
Na de tweede Golfoorlog werden de relaties met het Westen weer beter. Het vredesproces tussen Israël en de Arabische buurlanden, dat in oktober 1991 in gang werd gezet, was gunstig voor Jordanië, dat al die tijd al contact was blijven behouden met Israël. Ook de relatie met de Verenigde Staten werden hersteld
Op 26 oktober 1991 volgde een nieuw hoogtepunt, de ondertekening van het vredesverdrag tussen Jordanië en Israël. Koning Hoessein nam in 1995 duidelijk afstand van het bewind van Saddam Hoessein in Irak, die hij ten tijde van de Tweede Golfoorlog nog als een politieke vriend had beschouwd.
Begin 1999 maakte koning Hoessein een einde aan een paleiscoup; zijn broer kroonprins Hassan werd als troonopvolger ontslagen ten gunste van zijn zoon Abdullah. Op 7 februari overleed Hoessein en zijn zoon werd als Abdullah II beëdigd tot de nieuwe koning. Koning Hoessein heeft van 1952 tot aan zijn dood in 1999 zijn land geregeerd, hij wordt wel de vader van het moderne Jordanië genoemd.
Abdullah II zet het buitenlands beleid van zijn vader in grote lijnen voort en ondersteunt het vredesproces tussen Israël en de Palestijnen.

Staatsinrichting


Aan het hoofd van het koninkrijk Jordanië staat een constitutionele monarch die onschendbaar is.
De troonopvolging is erfelijk bepaald en voorbehouden aan mannen. De uitvoerende macht berust bij de koning, die de minister-president benoemt en kan ontslaan en opperbevelhebber van het leger is. De wetgevende macht berust bij de koning en de Nationale Vergadering, die grondwettelijk bestaat uit een Senaat, bestaande uit 40 door de koning voor acht jaar benoemde prominente persoonlijkheden, die ouder moeten zijn dan 40 jaar en een Huis van Afgevaardigden, bestaande uit 80 gekozen leden.
Zij worden voor 4 jaar via algemene verkiezingen gekozen. In juli 2001 werd er een nieuwe kieswet aangenomen, waarin opgenomen werd dat het aantal zetels in het Huis van Afgevaardigden zal worden uitgebreid tot 104. Daarnaast werd het aantal kiesdistricten uitgebreid van 21 naar 45.
Het parlement heeft de bevoegdheid wetsvoorstellen, ingediend door de minister-president, af te wijzen. Als een wetsvoorstel door het parlement wordt aanvaard, dan wordt het voorstel ter goudkeuring aan de koning voorgelegd.
De ministerraad is verantwoording schuldig aan het parlement, en het parlement heeft het recht het kabinet tot aftreden te dwingen. De koning kan dan weer besluiten om het parlement weer bij elkaar te roepen en te ontbinden, en om verkiezingen uit te schrijven of uit te stellen.
Er is (volgens de grondwet) algemeen kiesrecht. Vrouwen kregen pas in 1973 actief en passief kiesrecht en in 1993 werd er ook een vrouw in het parlement gekozen. De kiesgerechtigde leeftijd is 18 jaar.
In 1991 kwam een einde aan een periode van ruim dertig jaar waarin de vorming van politieke partijen verboden was. Via de aanvaarding van een nationaal handvest werd in juni officieel het meerpartijenstelsel aanvaard. In 1993 mochten er voor het eerst politieke partijen meedoen aan de verkiezingen. Het kiesstelsel was echter zó ingewikkeld, dat de partijen weinig kans hadden om in het parlement te komen.
Jordanië telt 12 districten of ‘liwas’, die onderverdeeld zijn in subdistricten of ‘qudas’. De stadsbesturen worden lokaal gekozen, de burgemeesters worden door de regering benoemd.

Bevolking



Jordanië wordt voor negentig procent bevolkt door moslims, maar moslimextremisten vindt men hier niet.
In het Midden-Oosten staat Jordanië bekend als een gematigd land met een smeltkroes van culturen. Bijna tweederde van de inwoners bestaat uit Palestijnen, die uit alle delen van het Midden-Oosten komen.
Verder wonen er gematigde Arabieren uit Syrië, Irak en Egypte. Zelfs Armeniërs en Tsjetsjenen hebben er hun eigen gemeenschappen.
De Palestijnen wonen vooral in de grote steden in het noorden en noordwesten, waar ze vaak belangrijke functies vervullen.
De bevolkingsdichtheid in het noorden en noordwesten is steeds aanmerkelijk groter geweest dan in de overige delen van het land.
De oorspronkelijke bewoners van de Oostoever zijn voornamelijk bedoeïenen; van hen leidt echter nog maar een derde een nomadisch bestaan. In de woestijn, in het oosten en vooral in de woestijn Wadi Rum leven nu nog een paar tientallen duizenden bedoeïenen.
Deze gematigde samenleving is een verdienste van het Hashemitische koningshuis dat sinds 1946 de macht in Jordanië in handen heeft. De in 1999 overleden koning Hoessein loodste het land vanaf de jaren vijftig veilig door alle turbulentie van de vorige eeuw: de Koude Oorlog, twee oliecrises, twee Golfoorlogen (waarin het land voor de westelijke alliantie koos) en zelfs het gewapende conflict met Israël.
Jordanië is het enige Arabische land dat diplomatieke betrekkingen onderhoudt met Israël, wat in 1994 leidde tot een vredesverdrag. Het portret van koning Hoessein prijkt nog steeds naast dat van zijn zoon Abdullah in de theehuizen, hotels, banken en scholen.
De afgelopen tachtig jaar heeft Jordanië een enorme bevolkingsexplosie meegemaakt, van 586.000 inwoners in 1954 tot 5,5 miljoen in 2004. Na de Tweede Golfoorlog keerden vele Jordaanse gastarbeiders terug naar hun land en groeide de bevolking met meer dan zes procent per jaar.
Levensverwachting: mannen 75,42 jaar en vrouwen 80,5 jaar.
De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedraagt ca. 60 inwoners per km².


Godsdienst


Sinds de invoering van de grondwet in 1952 is de islam staatsgodsdienst. Ruim 93% van de bevolking is de soennitische richting van de islam toegedaan, 3% zijn sji'ieten.
In de dagelijkse praktijk is de islam in Jordanië niet zo streng als in sommige buurlanden.
Naast islamieten telt het land een aantal christelijke groepen: grieks-orthodoxen, grieks-katholieken, rooms-katholieken, Syrisch orthodoxen, koptisch-orthodoxen en enige protestanten (lutheranen, anglicanen), samen ca. 5% van de bevolking.
In het noorden wonen een klein aantal Druzen. Druzen zijn ismaëlieten die geloven dat de ‘verborgen imam’ niemand minder is dan de stichter van hun sekte, met name de Egyptische kalief Al-Hakim, die leefde in de 10e eeuw. De Druzen beoefenen een geheim en complex sjiitisme voor ingewijden en ze hebben niet de intentie om anderen te bekeren.
Verder zijn er nog wat aanhangers van de bahai-religie en samaritanen, een religie die lijkt op het jodendom. Zij wonen vooral in de steden Kerak, Madaba en As-salt.


Landbouw, industrie, handel


Met het wegvallen van de Westoever door de oorlog van 1967 gingen zowel de belangrijke inkomsten uit de daar gevestigde en relatief hoog ontwikkelde landbouw als uit het snel groeiende toerisme (Jeruzalem en Bethlehem) verloren. In deze verliezen werd slechts gedeeltelijk voorzien door schenkingen en leningen van Arabische aardolieproducerende landen.
Circa 12% van het Jordaanse grondgebied is geschikt voor landbouw. Ongeveer 7% daarvan wordt kunstmatig bevloeid. Bij de oorlog van 1967 verloor Jordanië het belangrijkste landbouwgebied, de Westelijke Jordaanoever.
Vanaf 1970 werd gewerkt aan verbetering van de landbouw in het vruchtbare oostelijke Jordaandal. Grote irrigatieprojecten hebben ongeveer 5% van de grond in cultuur gebracht. Dit gebeurt via het Ghorkanaal, ten oosten van de Jordaan, en het Talal-stuwmeer in de Zarqa. Het heuvelland rondom Ajlun is agrarisch ook belangrijk door een regelmatige regenval en een aantal bronnen. Dankzij het gunstige klimaat zijn er tegenwoordig twee of meer oogsten per jaar mogelijk.
Toch blijft de landbouw van ondergeschikt belang. Ongeveer 5% van de beroepsbevolking is werkzaam in deze sector. Fruit en groenten als tomaten, meloenen, citrus zijn de belangrijkste gewassen van de Jordaanse landbouw en worden geëxporteerd, vooral naar de Perzische-Golfstaten en Saoedi-Arabië. Andere belangrijke landbouwproducten zijn tarwe, gerst, komkommers, meloenen, druiven en olijven.
De veehouderij is veelal geconcentreerd in de vruchtbare gebieden, waar runderen, paarden en kippen gefokt worden. Kamelen, schapen en geiten vindt men in de droge gebieden van het land, waar deze dieren worden geweid door nomaden en halfnomaden.
Visserij wordt in de Golf van Aqaba bedreven en voorziet in ca. 20% van de binnenlandse behoefte.
Behalve fosfaat bezit het land nauwelijks of geen delfstoffen. Andere delfstoffen die (in kleine hoeveelheden) worden gewonnen of waarvan de aanwezigheid is aangetoond, zijn marmer, kaliumcarbonaat, steenzout, kalksteen, pyriet, mangaan, gips, kopererts en potassium of kalium.
Potassium wordt gewonnen aan de zuidkant van de Dode Zee. Het mineraalhoudende water wordt in grote bekkens verdampt, waarna het potassiumhoudende zout overblijft. Dat wordt in Safi verwerkt en op dit moment is Jordanië de grootste potassiumleverancier ter wereld met ca. 20 miljoen ton per jaar. Potassium wordt gebruikt als grondstof voor onder meer kunstmest, medicijnen en verf.
Er zijn kleine aardolievelden bij Azraq en aardgas is aangetroffen bij Ar Risha. De hoeveelheden olie en aardgas zijn echter te gering en hebben daardoor geen handelswaarde.
Al sinds het verleden is de Jordaanse energievoorziening volledig afhankelijk van aardolieleveranties uit de Arabische landen.
In de jaren zeventig echter zijn tezamen met irrigatieprojecten hydro-elektrische installaties operationeel geworden. De bedoeling was de aardoliebehoefte ten behoeve van de energie hierdoor steeds verder terug te dringen.
Overigens wordt de Jordaanse industrie gekenmerkt door het grote aantal kleine en middelkleine bedrijven, die actief zijn in de voedselverwerking of allerhande producten vervaardigen voor de lokale markt. De uitvoer van fosfaat en kunstmest, groente en fruit is de belangrijkste bron van inkomsten. De export is vooral gericht op Irak en Saoedi-Arabië en in mindere mate op Egypte, India en Pakistan.
Geïmporteerd wordt vooral uit Duitsland, de Verenigde Staten, Italië, China, Frankrijk en tot aan de oorlog ook Irak.

Eten en drinken


Jordanië werd tot 1948 voornamelijk bewoond door bedoeïnen; een nomadische bevolking die zich bezighoudt met veeteelt. Omdat deze herders en hun familie zich altijd ver van de bevolkingscentra bevinden is hun menu zeer beperkt. Het voedsel bestaat voornamelijk uit brood, bonen of rijst en alleen op feestdagen staat er vlees op het menu. Melk en yoghurt nemen een prominente plaats in, terwijl groenten en fruit praktisch geheel ontbreken. Een traditioneel bedouinen feestgerecht is de mansaf. Als opener mezze:

Tabuleh –fijngehakte peterselieblaadjes met tomaten, munt en de nootachtig smakende bulghur.
Humus bi tahina – gepureerde kikkererwten met zout, citroensap, sesam en olijfolie.
Baba ghannusch – puree van gebakken aubergines die met citroen – knoflook en sesamolie die tot een gladde brij worden geroerd.
Malfuf – komt overeen met de Europese koolrollade, de vulling bestaat uit schapenvlees en rijst.

Tot de mezze behoren bovendien olijven, kaas ,noten, vruchten, zure augurken en gevulde druivenbladeren. Het is de gewoonte, ook als men in een gewoon huis woont, om zittend op de grond te eten. In het midden van de kring staat een grote schaal waar iedereen met de rechterhand uit eet. Op de grote schaal wordt een bed van rijst gelegd, waar pijnboompitten en amandelen doorheen zijn gemengd. Bovenop deze rijst ligt lamsvlees dat in yoghurt is gekookt.
Er moet zoveel vlees zijn dat de rijst niet meer zichtbaar is.
Voor het dessert kunt u kiezen uit talloze zoete gerechten.
De maaltijd wordt besloten met een kop thee of koffie.
Een typische drank, ontleend aan de bedoeïnencultuur, is de speciale koffie. Deze koffie is zo sterk dat je haar kunt knippen!
Hij wordt als volgt gemaakt: in de tent worden koffiebonen boven een klein vuurtje vers geroosterd en daarna fijn gestampt. De gestampte bonen worden met water opgezet en tot 1/3 van de hoeveelheid water ingekookt.
Bij een Arabier op bezoek gaan betekend dus dat u geduldig moet blijven, want dit neemt wel wat tijd in beslag!
Vaak gaat er ook een beetje cardamon in de pot. Het resultaat wordt uitgeschonken in kleine kopjes die niet groter zijn dan een eierdopje. Als gast bent u verplicht om drie kopjes koffie te drinken, daarna mag u om water of om thee vragen.

Geldzaken


De munteenheid is de Jordan Dinar, afgekort de JD. Het is voordeliger om in Jordanië zelf uw geld te wisselen of op te nemen. Er zijn veel wisselkantoren en op veel plaatsen kunt u met creditcard betalen. Ook kunt u vrij eenvoudig euro’s en dollars omwisselen.
Door de koers van de Euro (1JD=1,02 €) konden we euro's voor dinar gebruiken.Wisselgeld kregen we in dinars. Gemakkelijk. Dollars waren minder in trek.




Abdullah Moskee Amman

Reisroute



Zaterdag 14 november: Brussel – Amman


Met de trein of airport-busje is iedereen stipt voor 6 uur op de luchthaven. Karel glundert.
We checken in voor een Boeing 737-800 van JetairFly. De service aan boord is uitzonderlijk goed.
In het Queen Alia International Airport, genoemd naar de derde vrouw van Koning Hussein die stierf in een helicoptercrash, ontmoeten we onze eerste gids Ryad. We logeren in het Commodore Amman hotel.
Er rest ons nog even de tijd voor een korte verkenning van de stad. We houden even halt aan het Romeins theater en wandelen naar de Al-Husseinimoskee, gebouwd op de plaats van een oude kerk, wellicht de kathedraal van Philadelphia (Naam van Amman tijdens de Helenistische periode onder Ptolemeus II Phliadelphus).
Het plein rond de moskee is het hart van Amman. Tussen deze moskee en de Citadel ligt de soek, bekend om zijn talloze goudwinkeltjes. De moskee van roze en witte stenen werd in 1987 volledig gerestaureerd.
Rond halfvijf wordt het snel donker en keren we terug naar het hotel.



Zondag 15 november: Jordaan , Dode zee


Na het ontbijt om 6 uur rijden we reeds om 7 uur met de bus door een ontwakend Amman richting Jordaanvallei.
De Jordaanvallei is een laaggelegen strook gebied die de westelijke grens van Jordanië vormt. Het is een onderdeel van de Grote Kloof: de grote geologische breukzone die begint in het Afrikaanse Merengebied, noordwaarts doorloopt door de Dode Zee en de Wadi Arabia en eindigt in het Kaukasusgebergte.
De weg gaat kronkelend bergafwaarts en in de verte kunnen we het begin van de Dode Zee zien. We bezoeken vanmorgen Bethanië (of Wadi Kharar, of El-Maghtas, of Beth-Abara) de plaats waar Jezus werd gedoopt op +/- 45 km ten westen van Amman.
Op een plek waar de oude rivierbedding van de Jordaan samen komt met een bron is Jezus gedoopt. Dit is de bron van de heilige Johannes de Doper. Deze locatie is exact beschreven in de bijbel. Hier vinden we ook de resten van de Byzantijnse Johannes de Doper kerk(en) uit de 5e en 6e eeuw: stukken vloer van Carara marmer en enkele mozaïekfragmenten.
Hierna lopen we door richting een Grieks-orthodox kerkje met gouden koepel en daarachter de Jordaan.
De rivier, amper 5 m breed, is tevens de grens met Israel en aan de overkant van de rivier zien we een kopie versie van het Jordaanse Bethanië liggen aan de Israelische kant.
Een Russische toerist springt onder het toeziend oog van een gewapende militair in het water en gaat driemaal kopje onder. Onze gids krabt even in zijn haar. Tot voor kort was dit streng beveiligd militair gebied.
Geholpen door de vredesakkoorden zijn de archeologen hier sinds 1997 neergestreken en hebben in dit ruime gebied een twintigtal archeologische vindplaatsen ontdekt, van de bronstijd tot de middeleeuwen.
Het wordt stilaan warmer. Daarom is het vooruitzicht van een plons in de Dode Zee een leuke afwisseling.
Met de bus gaan we naar Amman Beach Tourism Resort.
In tegenstelling tot de Israëlische kust van de Dode Zee, was de Jordaanse tot voor kort nauwelijks ontwikkeld. Maar nu wordt ook hier druk gebouwd aan een vijftal luxe hotels (Mariott, Kempinski …) en een snelweg.
Het is heerlijk om wat af te koelen in het water dat aanvoelt als olie. Nadien moet je douchen of in een van de mooie zwembaden duiken, want het zout blijft aan je lichaam plakken en dat prikt behoorlijk.
Enkele vrouwen laten zich insmeren met zwarte modder. De mineraal rijke modder uit de Dode zee schijnt goed te zijn voor je huid
Je hebt hier een prachtig zicht op Israël aan de overkant, door gids onverstoord West Bank genoemd.
Je kunt door het hoge zoutgehalte niet zwemmen in de Dode Zee, alleen drijven. De normale zwembewegingen kun je niet uitvoeren, het water duwt je lichaam en je voeten tot aan het wateroppervlak. Omringd door een desolaat landschap dat doet denken aan de maan, zweeft de bezoeker als een gewichtsloze astronaut op het zoute water van de Dode Zee.
De Dode Zee is een van de meest bizarre spelingen van de natuur. Eigenlijk is het helemaal geen zee. Er is geen branding, er waait geen frisse zeebries en er vliegen al helemaal geen krijsende meeuwen. Hier is niets behalve zand, rotsen en het groenblauwe water.
Dit water dat door de Jordaan en tientallen kleinere riviertjes wordt aangevoerd, verdampt met miljoenen liters per dag, waarna alleen mineralen achterblijven. Inmiddels bestaat het water van de Dode Zee voor ruim dertig procent uit zout, ter vergelijking in de Noordzee is dat slechts drie procent.
Niet eens een bacterie kan in het zoute water van de Dode Zee overleven. Zelfs rond het water is amper leven te bespeuren.
Tegelijkertijd is het groenblauwe water van de Dode Zee geneeskrachtig. Het broom kalmeert de zenuwen, het jodium is heilzaam voor de klieren en het magnesium houdt de huid jong en soepel.

Dode Zee - Rode Zee kanaal

De Dode Zee is stervende. De vraag is eigenlijk niet of de Dode Zee zal opdrogen, maar wanneer. De schattingen lopen uiteen van vijftig tot tweehonderd jaar.
Er zijn echter plannen om een kanaal met een lengte van 200 kilometer uit te graven, dat water van de Rode naar de Dode Zee voert.
Tot eind jaren zestig was het niveau van de Dode Zee stabiel op zo’n 392 meter onder zeeniveau. Maar sindsdien is het niveau gedaald tot zo’n 411 meter onder zeeniveau. De oppervlakte van de Dode Zee is met een derde afgenomen en de kustlijn is op sommige plaatsen met twee kilometer teruggetreden.
Als de zee blijft dalen met het huidige gemiddelde van tachtig centimeter per jaar, zal de Dode Zee over vijftig jaar verdwenen zijn. Dat komt omdat het water in de Dode Zee nauwelijks nog aangevuld wordt.
Bijna alle waterbronnen die uitmonden in de Dode Zee worden gebruikt voor irrigatie en drinkwater. Zo wordt het water van de rivier de Jordaan in het meer van Tiberias opgevangen, waarna het door Israël over het hele land en tot in de Sinaï Woestijn wordt gedistribueerd.
Water is al vijftig jaar een van de meest cruciale politieke strijdpunten in het Midden Oosten. Volgens het in 1994 getekende vredesakkoord tussen Israël en Jordanië, heeft eerstgenoemde recht op het merendeel van de Jordaan.
De belangrijkste waterleverancier van de Dode Zee, de Jordaan, is inmiddels nog maar enkele meters breed is en oogt als een veredelde sloot. De grote boosdoener van die versmalling, in zowel Israël als Jordanië, is de geïrrigeerde en van overheidswege gesubsidieerde landbouw.
Maar terwijl de Jordaanse landbouw voornamelijk produceert voor binnenlandse consumptie, wordt een groot deel van de Israëlische productie geëxporteerd, vooral naar Europa.
Het slinken en mogelijk verdwijnen van de Dode Zee heeft niet alleen desastreuze gevolgen voor toerisme en industrie, maar ook op de algehele geologie en waterhuishouding van de regio. Jordanie is een van de water-armste landen ter wereld en kampt met een enorm jaarlijks tekort.
We nemen het middagmaal in het resort en nemen dan de prachtige weg naar de warme bronnen van Hammamat Ma'in.
Het is een nieuwe weg die langs het Dead Sea Panoramic Complex voert. In een mum van tijd zitten we hoog boven de Dode Zee en daarna dalen we steil weer af. De warme bronnen zijn een kuuroord dat reeds sinds de oudheid in trek was. De watervallen zijn mooi en men vindt er ook een natuurlijke sauna in een grot.
Herodes de Grote baadde volgens de legende al in het mineraalrijke water. Sinds de Romeinse tijd komen hier mensen voor de warme bronnen en de watertherapieën. Het bronwater en de waterval liggen 264 meter onder zeeniveau en voeden de Dode Zee. Het water staat bekend vanwege het hoge gehalte aan zwavel dat antibacterieel werkt op allerlei klachten van huid en lichaam.
Bij een terasje ontmoeten we zowaar een Lybische toerist die ons vraagt hem en zijn vrouw te fotograferen.
We praten heel even over de Libische woestijn en het Akakus gebergte.
Vanavond nemen we afscheid van onze gids. Morgen hebben we een nederlands sprekende. Hollands, zegt Karel, en bovendien wil hij maar om acht uur beginnen.
Zijn ogen schieten vuur. Als dat maar goed afloopt.

qasr al harama

Maandag 16 november: Amman, woestijnkastelen


Halfacht staan we klaar voor de bus. Een kwartier later arriveert onze nieuwe gids. Zijn naam is Salem Abu Rumman (aladaricha@hotmail.com) en hij woonde twee jaar in Nederland (Delft,Rotterdam ..). Uit Nederland bracht hij een souvenirtje mee: zijn Zeeuwse vrouw uit Axel.
We vertrekken onmiddellijk naar de Koning Abdullah Moskee.
Deze opvallende blauwe moskee werd in 1990 gebouwd ter ere van koning Abdullah, de overgrootvader van de huidige koning Abdullah. De mannen doen alleen de schoenen uit. De vrouwen doen een lang zwart kleed aan: een chador . Ze zien er beeldig uit. De Abdullah moskee biedt plaats aan 3000 gelovigen. Salem spreekt ons, gezeten op het reusachtige tapijt van de moskee over de vijf pijlers van de Islam.
Vervolgens rijden we naar de Citadel (Jabal al-Qal'a). De Citadel is gelegen op de hoogste berg van Amman, ongeveer 850 meter boven de zeespiegel. Hier liggen de restanten van het antieke Ammon: Romeinse, Byzantijnse en vroegere Islamitische opgravingen. De tempel op het complex is gebouwd door Marcus Aurelius (161-80 AD). Van deze tempel zijn nog een deel van het podium en een aantal pilaren overgebleven. De meest indrukwekkende gebouwen zijn de ruines van het Omajadische paleis (al-Qasr, Ummayad Palace complex ) uit de achtste eeuw waarvan alléén de de ontvangstzaal gereconstrueerd werd met de prachtige houten koepel, de Poort van Hercules (161-166 v. Chr.) en de Byzantijnse kerk, gebouwd in de zesde of zevende eeuw.
Men vindt er ook grotten uit het brons tijdperk.
In een hoek van het complex is een uitkijkpunt gemaakt. Vanaf hier heb je een mooi overzicht op Amman. De stad is opgetrokken uit zandkleurige gebouwen, wat het echt een Midden-Oosten gevoel geeft. Het is gebouwd op 7 jebels (heuvels) maar tegenwoordig is het verspreid over wel 20 en heeft het bijna 2 miljoen inwoners.
De zandkleurige stad stak schitterend af tegen een felblauwe lucht.
Het Kleine Archeologisch museum gevestigd op de Citadel heeft een indrukwekkende collectie artefacten van de prehistorie tot de vijftiende eeuw. Hoogtepunt hier waren wel enkele Dode-Zee rollen die in 1952 in Qumran gevonden zijn en een paar beelden (de Ain Ghazal statues) die stammen uit 6700 v. Chr. . Ze zijn heel belangrijk die beelden in de glazen vitrine kast.
De afgelopen decennia zijn er spectaculaire ontdekkingen gedaan in de bergen ten noorden van Amman. Hier werden de resten van een agrarisch dorp gevonden daterend uit het 7e millennium v.Chr. De 30 beelden die in het dorp ontdekt werden, behoren tot de oudste beelden ter wereld. Deze beelden, gedateerd op 6700 v.Chr., vallen op door de vormgeving en door beschilderingen van lichaamsdelen. De geschilderde ogen hebben uitdrukking door lijnen van bitumen rond een iris van kalk. Met hun intrigerende uitdrukking trekken ze nog tot op heden onze intense aandacht. Wellicht hadden zij in de oudheid hetzelfde effect op mensen uit het Neolithicum.
De beelden zijn gemaakt uit een mengsel van gebrande kalksteen en klei, waardoor de ogen met hun zwarte randen sterk contrasteren met dit lichtkeurige mengsel.
De vraag of het hier gaat om beelden die dienden bij de voorouderverering, of om beelden van geesten of goden is nog steeds niet beantwoord.
De vondst van deze beelden gebeurde toevallig. Bij de aanleg van een weg ten noorden van Amman in 1974 stuitte men op deze overblijfselen. Later bleek dat het om een neolithische nederzetting ging, gelegen aan de oever van de Zarka rivier. Ain Gazal, de bron van de gazelle’, is een van de oudste agrarische nederzettingen ooit gevonden. De nederzetting besloeg een oppervlakte van ongeveer 14 hectare, ongewoon groot voor die tijd, en moet minstens 3000 inwoners geteld hebben.
De nederzetting werd continue bewoond gedurende meer dan 2000 jaar (7300-5000). 2000 jaar exploitatie van bossen, gebruik van hout voor de bouw en voor brandstof, de overbegrazing van de weidegronden door schapen en geiten leidden tot uitputting van de grond en slechte oogsten. Uiteindelijk waren de inwoners gedwongen de plek te verlaten en een toekomst elders te zoeken.

Het archeologisch museum herbergt ook de Stele van Mesha. De Stele van Mesha of Moabitische Steen is een stele van zwart basalt met daarin een inscriptie van koning Mesha van Moab uit de 9e eeuw v. Chr.. De steen is herontdekt in 1868 in Dhiban.
De inscriptie telt 34 regels tekst die geschreven zijn in het Oud-Hebreeuws. De steen is 124 cm hoog en 71 cm breed en diep en is aan de bovenzijde afgerond. De tekst beschrijft Mesha's overwinning op het koninkrijk Israël. Het is de oudste, bij wetenschappers bekende, samenhangende tekst met alfabetisch schrift en bevat alle letters van het oude alfabet behalve één. Hij bevat de de oudste geschreven naam van hun God: 'YHWH' (Jaweh).
De oorspronkelijke steen is nu te bezichtigen in het Louvre te Parijs.
Vanop de citadel zien we het Romeinse theater. Daar trekken we nu naar toe. In sneltreinvaart worden we eerst door het folklore museum geleid waar een groot aantal zeer boeiende foto's van oud Amman en de opgravingen van het theater te vinden zijn alsmede voorstellingen van Bedoeïenen. Het theater stamt waarschijnlijk uit de tijd van Antonius Pius (138-61 AD), biedt plaats aan 6000 mensen en de restauratie is begonnen in 1957. De akoestiek is fenomenaal. Helemaal bovenaan zorgt het perspectief bijna voor hoogtevrees. Enkele bewerkte kapitelen tooien de voet van de tribunes.
Rond 11u reppen we ons naar de bus want er staan kastelen op het programma. De bedoeïenen noemen alles wat geen tent is een kasteel ! Het eerste is Qasr al Hallabat. Qasr al-Hallabat - ongeveer 50 kilometer ten noordoosten van Amman - lijkt vanuit de verte een berg stenen, gele met hier en daar zwarte blokken, maar als we dichterbij komen zien we structuur in deze hoop stenen.
Misschien was het ooit een Romeinse militaire basis circa 111-114 n. Chr. gebouwd om de Via Nova Traiana, de nieuwe weg van keizer Trajanus naar het zuiden te bewaken.
De moslim vorsten hebben dan wel het castrum voor het grootste deel afgebroken en herbouwd. Een deel van de zwarte basalt bouwstenen was waarschijnlijk afkomstig uit een van de nabij-gelegen Romeinse steden. Immers hier en daar zijn Griekse inscripties op die stenen die deel uitmaakten van een Byzantijns edict. Zo'n officieel document, gebeiteld in steen, heeft natuurlijk niet op zo een afgelegen plaats gestaan. Het werd opgesteld in een stad zodat iedereen er kennis van kon nemen. Dat is de reden dat men nu veronderstelt dat een deel van de bouwstenen van Qasr al-Hallabat door de Omajjaden werden aangesleept. Deze hergebruikte stenen werden uiteindelijk bedekt met een laag stuc, zodat noch de zwarte of gele steenkleur, noch de Griekse woorden zichtbaar waren.
Nu spoeden we ons over de woestijnweg naar Azraq, waar we rond half twee aankomen.
Deze stad ligt midden in de Jordaanse woestijn langs de weg naar Bagdad. De oase is van belang voor de trekvogels die hier in de winter een belangrijke standplaats hebben. Doordat men al het water uit de ondoordringbare lagen aan het oppompen is voor de bevoorrading van Amman wordt de vruchtbaarheid van dit gebied sterk bedreigd.
Het Qasr Azraq, van zwart basalt gebouwd, is best de moeite waard om te bezoeken.
Na alle waarschijnlijk is dit fort omstreeks 193-211 gebouwd door de Romeinse keizer Septimus Severus als onderdeel van de oostelijke verdedigingslinie. Onze gids Salem vertelt dat hier in het Paleolithicum reeds nederzettingen waren. Zijn huidige vorm is omstreeks 1237 tot stand gekomen. Het fort is met name bekend geworden als woestijnhoofdkwartier van Lawrence of Arabia. In de winter van 1917 vestigde hij zich hier tijdens zijn strijd tegen het Ottomaanse rijk. De toegang tot het fort bestaat uit een massief granieten deur. Boven de entree bevindt zich de kamer waar Lawrence gewoond heeft.
Vanaf Azraq haasten we ons via Highway 40 naar het Qusayr'Amra, een klein Arabisch kasteeltje midden in de woestijn. Amra wordt beschouwd als het best bewaarde en meeste charmante van alle woestijnkastelen. Het kasteel heeft prachtige fresco's van badende dames, vechtende heren, dieren en planten (UNESCO werelderfgoed).
Het was een jachtpaviljoen gebouwd in de 8e eeuw door Kalief Walid dat tevens als badhuis werd gebruikt. Het badhuis bestaat uit 3 kamers die overeenkomen met de frigidarium, tepidarium en calidarium, dwz de koude, warme en hete kamers respectievelijk.
De inspanning om hier te geraken wordt ruimschoots beloond door de adembenemend mooie en intacte fresco's van Byzantijns-Arabische oorsprong die door een Spaans team begin jaren zeventig werden bestudeerd, schoongemaakt en gerestaureerd. De fresco's overleefden de censuur uit een later puriteinser tijdperk.
Vlak vóór de ontvangsthal lag in een apart gebouwtje de put met cisterne waaruit door middel van dierkracht water geput kon worden.
Men is het er echter wel over eens dat dit kasteel ooit bedoeld is geweest voor een avondje uit voor de mannen, weg van het hof. Hoe het ook zij, het was schitterend.
In het kasteel was een man aanwezig die ons met een zaklantaarn uitleg gaf over de fresco's en het kasteel zelf. Nadat we alles hadden bekeken pakte hij zijn rababa (de rababa is vreemd muziek instrument bestaand'e uit een halve kokosnoot bedekt met geitehuid een lange arm met spanvijzels die twee snaren strak houdt. Het word bespeeld als een viool met een strijkstok) en begon voor ons te spelen.
Stilaan valt de avond en voor het donker spoeden we ons naar het vierde kasteel , zestien kilometer verderop.
Het vierde kasteel -Qasr-al-Harana- , dat er van buiten indrukwekkender uitziet dan binnenin.
Persoonlijk vonden wij dit midden in de troosteloze vlakte liggende kasteel het mooist, aan de buitenkant dan. Men vermoed dat dit twee etages tellende gebouw bedoeld is geweest als ontmoetingsplek voor Omajjad-heersers. Er zijn meer dan 60 kamers, waaronder keukens (rook op het plafond) en in de binnenplaats bevinden zich de voormalige stallen en er is een bassin waarmee regenwater werd opgevangen. De smalle openingen dienen voor verlichting en zijn tevens een ingenieus ventilatiesysteem, geen schietgaten. Men denkt dat het kasteel een karavanserai was, een soort herberg, de eerste in de periode van de Islam.
Ondertussen is het donker en rijden we rustig terug naar Amman.

Forum Jerash

Dinsdag 17 november: Um Quais, Jerash, Ajloun


Vanmorgen vertrekken we vroeg naar het noorden, tot bij de grens van Israël en Syrië. We bezoeken de antieke stad Gadara aan de voet van de Ottomaanse stad Umm-Qais.
Dit is een van de prachtigste Grieks-Romeinse steden van de Decapolis en volgens de bijbel de plaats waar Jezus de duivel uitdreef bij 2 bezeten mannen (Matteus 8:28-34).
Uit opgravingen blijkt dat deze plek reeds bewoond was in de 7de eeuw voor Christus. De stad werd onder de Romeinse keizer Augustus het intellectuele middelpunt van de regio en ze trok geleerden, schrijvers, artiesten, filosofen en dichters aan.
We ontdekken eerst het westelijk theater in zwart basalt dat goed bewaard is gebleven. Het heeft nog zijn circulaire gangen waar het lekker fris is en een rij comfortabele banken voor hoge gasten.
Via de winkelstraat met gewelven waarin de winkels waren ondergebracht komen we aan de orientatietafel van waaruit we een adembenemend uitzicht hebben.
Aan de linkerkant zien we het begin van de vallei van de Jordaan, de West Bank en Israël, in het noorwesten het meer van Galilea (Tiberias, Genezareth) en rechts vooraan de vallei van de Jarmoek, achteraan de Golanhoogten (nu bezet door Israël), in het noordoosten Syrië.

Een groot deel van het optreden van Jezus speelde zich af rond het Meer van Galilea. Jezus heeft een tijdlang aan het Meer van Galilea gewoond, in Kafarnaum. Ook een aantal van Jezus' apostelen, die vissers waren op het Meer van Galilea, woonden er.
Een aantal bekende Bijbelverhalen, zoals de wonderbare visvangst en dat Jezus op het water wandelde, spelen zich op en rond het Meer van Galilea af.
We waren erg onder de indruk van de plek waar we stonden, stuk voor stuk zijn het allemaal plekken die veel in het nieuws zijn (geweest) en waar nogal wat oorlogen om gevoerd zijn.
We keren terug langs de thermen en de Byzantynse basiliek. Wat in de hoogte zien we het voormalige Ottomaanse dorp.
Nu is het tijd om te vertrekken naar Jerash een van de hoogtepunten van deze reis.
We eten in het Jerash Resthouse dicht bij de zuidelijke poort en trekken er dan onmiddellijk op uit.
Jerash, ligt 48 kilometer ten noorden van Amman en is een prachtig bewaard gebleven Romeinse stad, die waarschijnlijk al sinds de Neolithische tijden bewoond was.

map

De grote bloeitijd van Gerasa (zoals de stad bekend stond in de Romeinse tijd) was in de tweede eeuw van onze jaartelling maar waarschijnlijk werd de stad al 500 jaar eerder gesticht, in de tijd van Alexander de Grote.
Maar deze vruchtbare plek, met ijzererts in de omgeving, werd vermoedelijk al veel eerder bewoond. De handelsroutes van de Nabateërs maakten Gerasa welvarend en het inwonertal groeide tot ongeveer 20.000.
De stad maakte deel uit van de Decapolis, een federatie van tien Romeinse steden, waaronder Damascus en Amman, die sterke commerciële, politieke en culturele banden onderhielden. Het huidige stadsplan, met de grote colonnadestraat als hoofdstraat en twee haaks daarop staande zijstraten, dateert uit de bloeitijd in de 2e eeuw.
Ook veel tempels werden toen verfraaid, twee grote badcomplexen opgetrokken en de hoofdstraten verbreed.
Toen de Romeinse macht verzwakte en de handelsroutes over land in verval raakten, werd ook de betekenis van Gerasa minder. In het begin van de 3de eeuw was de stad op zijn hoogtepunt, maar ging snel achteruit door invasies van Christenen en Moslims, maar ook door de aardbevingen in het jaar 747.
Dat er nog zo veel goed bewaard is gebleven, komt onder meer doordat de stad na haar glorietijd langzaam in verval raakte.
Het aantal inwoners verminderde langzamerhand tot 5.000 en na de aardbevingen werd de stad langzaamaan verlaten en raakte verborgen onder de aarde.Tijdens de kruistochten was het al niet meer bewoond.
De Duitse reiziger Ulrich Jasper Seetzen ontdekte de overblijfselen In 1806. Later die eeuw vestigde een groep Circassiërs, afkomstig uit de Kaukasus, zich op de oostelijke oever. Zo ontstond daar het moderne Jerash, waaronder ook nog ruïnes verborgen moeten zijn.
De opgravingen van de stad zijn in 1920 begonnen en brachten de oude stad mondjesmaat aan het licht, hoewel waarschijnlijk nog steeds een groot deel van de stad onder het zand ligt. Slechts 10 procent zou zichtbaar zijn.
We beginnen ons bezoek bij de Zuidelijke poort. Links voorbij de poort bevindt zich de Zeustempel die in de 2e eeuw gebouwd wer op de resten van een Grieks heiligdom.
Pal ten westen van de tempel hebben we het prachtige zuidelijke theater. Dit theater werd gebouwd in de 1ste eeuw met plaats voor 5000 toeschouwers (heden 3000) en het wordt nog steeds gebruikt tijdens het jaarlijkse Jerash Festival, waarbij artiesten vanuit de hele wereld optredens verzorgen gedurende 3 weken in juli en augustus. De scene heeft mooi sierbeeldhouwwerk in Korinthische stijl.
Twee Jordaanse doedelzakspelers voeren een serenade op. De akoestiek is fenomenaal.
We lopen verder naar het Oval Plaza of Forum. Dit 90 meter lange en 80 meter brede ovaal gevormde plein was een markt- en ontmoetingsplaats voor de inwoners van Jerash. 56 prachtige Ionische zuilen omringen het leistenen plein. Hier laten we een groepsfoto maken door plaatselijke fotograaf (Khaled Kanaan). We beklimmen het heuveltje tegenover het theater en hebben een prachtig overzicht.
We passeren de byzantijnse kerk van Sint-Cosmas en Damianus met enkele mozaïeken. Cosmas and Damianus waren tweelingbroers, beroemde doktoren die geen honorarium vroegen van hun patiënten (soort dokters voor het volk) en later martelaren werden.
Even verderop ligt de imposante Tempel van Artemis met mooi gedecoreerde Korintische zuilen. De tempel is gewijd aan de beschermgodin van Jerash, Artemis, de dochter van Zeus. Binnen is een terras met het vroegere openlucht altaar. De Tempel van Artemis is één van de mooiste gebouwen in Jerash.
Nabij de tempel zijn ambachtslui een reconstructie aan het maken van een door stromend water aangedreven zaag om bouwstenen te zagen.
We lopen nog snel even naar het noordelijke theater en keren dan terug naar de hoofdstraat, de Cardo Maximus. Deze is ongeveer 800 meter lang en loopt van het Forum naar de Noordelijke Poort. Onder het straatoppervlak ligt nog de riolering, die tot het laatst in werking is geweest.
De Cardo Maximus was vroeger geheel omgeven door kolommen waarvan er nu nog zo'n 200 staan. We passeren de propyleeën, de monumentale poort die toegang gaf tot de Artemis tempel en het nymphaeum de openbare fontein.
Over de Cardo Maximus lopen we terug naar de Hippodroom die dateert uit de 2e eeuw en het kleinste bekend Romeinse circus is, waar op sommige dagen, niet vandaag helaas, een voorstelling wordt gegeven om een idee te geven van wat zich hier zoveel jaren terug afspeelde: met gladiatoren en strijdwagens. De Zweedse organisator houdt hier gepensioneerde politiemannen en militairen aan het werk als gladiator om zo hun karige pensioen aan te vullen en is daarmee de grootste werkgever in deze arme regio van Jordanië.
Bij het verlaten van Jerash lopen we langs de de prachtige triomfboog van Hadrianus, gebouwd als gedenkteken voor een bezoek van de keizer in het jaar 129. Deze Hadrianus heeft behoorlijk wat van de wereld gezien want we zijn hem gedurende onze reizen nogal eens tegengekomen. Hij was aan het begin van onze jaartelling keizer van Rome en hij is ook verantwoordelijk voor onder andere de muur van Hadrianus in Groot-Brittannië.
De triomfboog staat aan de noordzijde helemaal in de stelling maar aan de zuidzijde kunnen we nog mooie plaatjes schieten.
Extra charme van Jerash is de ligging in een tamelijk groene vallei, van noord naar zuid doorsneden door een beekje. Langs de oevers staan populieren en walnootbomen, die groen blijven en zelfs in de droogste tijden midden in de zomer, als de heuvels er al flink verdord uitzien, voor schaduw zorgen. Uit de kleine Arabische stad aan de overkant komt nauwelijks geluid.
Een uur later komen we aan voor het laatste bezoek van deze weer drukke dag.
Het Ajloun kasteel (Qala'at ar-Rabad) is in 1184 gebouwd door een neef van Saladin op de 1250 meter hoge berg. Dit kasteel is een fraai voorbeeld van Arabische militaire architectuur. Vanwege zijn strategische ligging is het gebruikt als deel van de lijn van verdediging tegen de Kruisvaarders.
Door het gebruik van duiven kon men troepen in Damascus (Syrië) en Caïro (Egypte) binnen een dag bereiken. Ooit had het 7 torens en een diepe slotgracht maar aardbevingen in 1837 en 1927 hebben het kasteel zwaar beschadigd.
Het kasteel is gebouwd op fundamenten van een oud klooster en controleert de toegang tot de Jordaanvallei, de bergen van Judea, Umm-Qais en de Golanhoogvlakte en bovendien de nabijgelegen ijzermijnen. De galerijen, torens, trappen en vertrekken vormen een waar doolhof.
Vanaf de muren van het kasteel is het panorama schitterend.
Moe maar tevreden rijden we terug naar het hotel in Amman.


wadi mujib

Woensdag 18 november: Amman-Petra


We verlaten Amman. Bijna de helft van de vier miljoen Jordaniërs woont in de hoofdstad Amman, wat niet zo vreemd is in een land dat voor driekwart uit woestijn bestaat. Amman is niet westers, maar wel modern. Op de platte daken van de huizen staan naast de volle waslijnen overal schotelantennes (en watertanks die slechts enkele malen per week kunnen gevuld worden). In de winkelstraten vind je Mercedessen en internetcafés naast tapijthandelaren en moskeeën. In de soek in de oude stad struikel je over de kraampjes met imitaties Nikes en honkbalpetjes, maar zie je ook rieten manden vol geurige munt en kleverige gekonfijte dadels. Handelen zit de Jordaniërs in het bloed; ze moeten ook wel. Het beschikt niet over aardolie en de woestijn is niet geschikt voor landbouw.

We vertrekken vanmorgen zuidwaarts en verkennen eerst de Mount Nebo waar God aan Mozes het Beloofde Land liet zien, het land dat hij zelf echter nooit zou mogen betreden. Een plek dus die we, omdat we toch in de buurt waren, niet mochten missen.
Er werd hard gewerkt aan restauratie van de kerk dus helaas mochten we niet alles zien maar een van de belangrijkste attracties, een mozaiek, was gelukkig wel te bekijken. Maar mooier nog was het uitzicht over de Jordaan Vallei en de Dode Zee. Een Italiaans kunstenaar maakte een sculptuur die het bronzen serpent van Mozes uit de woestijn en kruis combineerde.
Het weer was helaas niet helder genoeg om ver te kunnen kijken. Het 46 km verderop gelegen Jeruzalem en ook Jericho konden we niet zien.
We vervolgden onze weg naar Madaba 30 km ten zuiden van Amman.
In Madaba bezoeken we de schitterende vloermozaïeken in de St.George-kerk, ook wel 'Kerk van de Kaart' genoemd.
De in 1898 opgegraven mozaiëken beelden alle belangrijke bijbelse plaatsen in het Midden-Oosten af: van Jeruzalem, Bethlehem, Jericho, tot Gaza en Akkra.
Hier vormen miljoenen steentjes op een oppervlak van maar liefst 20 bij 5 meter de oudste landkaart van het Midden-Oosten. Pelgrims konden zich hiermee oriënteren in het beloofde land. Nog steeds is moeiteloos het gebied van de Nijldelta bij Alexandrië tot Romeinse nederzettingen aan de Turkse kust te herkennen, met pontificaal in het midden de stad Jeruzalem. Zelfs de vissen in de rivier de Jordaan zijn te onderscheiden. Ze zwemmen naar het noorden, weg van het zoute water in de Dode Zee.
In Madaba zou 30 procent van de bevolking Christen zijn. In elk geval waren de meisjes van de toeristische politie heel vriendelijk en poseerden maar al te graag. De cafébaas van de plaatselijke kroeg daarentegen was wat inhalig toen hij 2 JD voor een kopje thé rekende. Onze gids stond er maar beteuterd bij.
Via The King's Highway reizen we verder naar het zuiden, want dan zie je veel mooiere landschappen dan via de andere autoweg, The Desert Highway, die door een monotoon woestijnlandschap loopt.
Tussen Dhiban en Ariha bevindt zich een stukje autoweg dat wel één van de spectaculairste landschappen van Jordanië omvat: de Wadi-al-Mujib.
De Wadi Mujib kloof loopt over een breedte van 70 kilometer van de Desert Highway in het oosten naar de Dode Zee in het westen en wordt 'de Grand Canyon van Jordanië' genoemd. De kloof is 1 kilometer diep, meet 4 kilometer van de ene rand naar de ander. Er is een stuwmeertje aangelegd.
Daarna gaat het weer vlot naar Kerak. In Kerak bezoeken we de beroemde kruisvaardersburcht uit 1132. De bovengrondse verdieping is erg vervallen. De ondergrondse delen van de burcht zijn nog goed intact.
Dit voormalige kruisvaarders fort was een legendarische plek in de gevechten tussen de kruisvaarders en de Islamitische troepen van Saladin (Salah- ad-Din). Hij was de generaal uit de 11e eeuw die de Ajjoebidische dynastie van Egypte en Syrië stichtte.
Deze vesting werd gebouwd door kruisvaarder Payen le Bouteiller op de ruïnes van een vroegere citadel die dateerde uit de tijd van de Nabateeërs. Zijn hoge ligging, vlakbij de Koninklijke weg, maakte het mogelijk het verkeer zowel uit het noorden als uit het zuiden te controleren. De vestingen waren zo gebouwd dat ze zich op 1 dagreis afstand van elkaar bevonden. Tijdens de nacht werd er op elke burcht een vuur ontstoken om het signaal door te geven naar Jeruzalem dat alles in orde was. De opvolger van Payen le Bouteiller, Reinoud van Châtillon terroriseerde alles wat in het gebied langskwam, zowel caravanen als pelgrims. Toen Reinoud van Châtillon de heilige steden in 1183 Mekka en Medina dreigde aan te vallen, deed Saladin een aanval op het kasteel maar het kon niet door hem veroverd worden.
Reinhoud werd gedood (persoonlijk onthoofd door Saladin) bij de slag om Hattin nabij het meer van Tiberias in 1187.
Het kasteel viel naderhand in handen van in handen van verschillende sultans die in 1263 de hoge noordwestelijke toren bouwden om uiteindelijk in de 19e eeuw te worden gesloopt door de beroemde Iibrahim Pasja van Egypte.
Bij het binnekomen bezoeken we eerst kort het kleine museum, vervolgens de de boven elkaar liggende zalen met gewelven met rechts de keuken met verluchtingspijpen, provisiekasten en oliemolenstenen. Aan het einde van de burcht ligt het Mammelukse bastion met stevige bogen door de sultans gebouwd. Beneden dwalen we door de donkere gangen door openingen in het plafond verlicht.
Het uitzicht van bovenuit is schitterend maar er waait een ijskoude wind die door merg en been gaat. Het is reeds donker wanneer we in het schitterende Petra Guest House Hotel (Managed by Crown Plaza Petra) aankomen.

schatkamer

Donderdag 19 november: Petra


Ons Hotel ligt net naast de ingang van de Petra site. Om half acht staan we reeds te trappelen om de ontdekking van het hoogtepunt van onze reis te beginnen, omdat de lichtval op dit tijdsstip het mooist is, weet onze ervaren tour-leader Karel. Salem laat nog even op zich wachten.
Gisterenavond (39°) en deze nacht (tourista) ben ik ziek geworden. Ik probeer me sterk te houden en hoop dat paracetamol, motilium, immodium, actieve kool hun job doen want ik wil voor geen geld dit bezoek missen.

Even situeren.
Petra betekent letterlijk ‘rots’, een toepasselijke naam voor een stad die niet gebouwd is door stenen op elkaar te metselen maar die uit de rotsen gehouwen is. Rond het begin van onze jaartelling was Petra de hoofdstad van het immense rijk van de Nabateeërs, een nomadenvolk dat door tolheffing en handeldrijven haar rijkdommen vergaarde.
Op het hoogtepunt woonden er ruim 25.000 mensen in Petra. Hun badhuizen, woonhuizen, tempels, graftombes, pakhuizen en paleizen, waarschijnlijk vele honderden gebouwen, waren stuk voor stuk uit de rotsen gehouwen en waren met trappen, gangen en wegen met elkaar verbonden.
De rozerode, geelbruine tinten van de rotsen maken de aanblik van de resten van deze antieke stad werkelijk uniek.

De ontdekking van de verloren gewaande rotsstad Petra leest als een spannende roman. Vermomd als Indiaas koopman was Johann Ludwig Burckhardt op het eerste gezicht niet te onderscheiden van een moslimpelgrim. Hij sprak vloeiend Arabisch, ging gekleed volgens lokale gebruiken en stond bekend om zijn grote kennis van de Koran. Niemand vermoedde dat achter deze sjeik Ibrahim ibn Abdallah een Zwitserse Afrika-ontdekkingsreiziger schuil ging.
In augustus 1812 hoorde Burckhardt tijdens een reis van Aleppo naar Egypte lokale gidsen praten over fantastische ruïnes die verborgen lagen in de bergen bij Wadi Musa. Burckhardt vermoedde dat zij verwezen naar de legendarische rotsstad Petra. Zijn interesse was onmiddellijk gewekt; deze ruïnes wilde hij bekijken, maar hoe? Als gelovig moslim kon hij geen interesse tonen in heidense bouwwerken en toch wilde hij zijn gids over halen om een kleine omweg te maken. Onder het voorwendsel dat hij een gelofte had afgelegd om een geit te offeren bij het graf van de profeet Aaron, vroeg Burckhardt zijn gids hem naar deze op de berg Jebel Haroun gelegen bedevaartsplaats nabij de Wadi Musa, te brengen. Zo lukte het hem als eerste Europeaan die wonderbaarlijke stad te betreden.
De indrukken die Burckhardt opdeed tijdens zijn korte bezoek aan Petra zijn via zijn dagboek bewaard gebleven.
Door de bijna 2 kilometer lange ravijn van de Siq, met rotswanden van wel 150 meter hoog, betrad hij de plaats waar volgens overlevering de bijbelse stamvader Mozes met zijn staf water uit de rotsen deed vloeien toen hij het joodse volk uit Egyptische gevangenschap naar het beloofde land leidde. Toen de kloof zich verbreedde, aanschouwde Burckhardt een in rotsen uitgehouwen bouwwerk. Deze façade, met zes Corinthische zuilen, een gebroken pediment en een met een urn bekroonde tholos, straalde in het licht van de ondergaande zon. Burckhardt kon slechts met grote moeite zijn enthousiasme verbergen en wist ondanks de argwanende blik van zijn gids aantekeningen in zijn dagboek te maken. De façade behoorde toe aan een tempel, die in de volksmond de bijnaam El Khaznet (het schathuis) droeg. Volgens legenden zou de farao die de Israëlieten na de exodus achtervolgde dit schathuis hebben gebouwd, zodat hij zijn kostbaarheden in de urn buiten bereik van mensenhanden kon achterlaten. Met grote moeite wist Burckhardt zijn blik los te trekken van dit wonder en zijn aandringende gids te volgen. Ze vervolgden hun weg naar de top van de Jebel Haroun, terwijl Burckhardt zoveel mogelijk indrukken van de stad in zijn dagboek probeerde vast te leggen.
Toen de avond viel bereikte het gezelschap het graf van de profeet Aaron, de broer van Mozes die op weg naar het beloofde land stierf en nabij Petra begraven zou zijn. Burckhardt offerde zijn geit en reisde door naar Cairo, het wonder van Petra met zich meedragend.
Johann Ludwig Burckhardt overleed onverwacht in 1817 zonder zijn herontdekking van de rotsstad Petra wereldkundig te kunnen maken. Met de publicatie van zijn reisverslag ‘Travels in Syria and the Holy Land’ echter, dat kort na zijn dood verscheen, werd het wonder van Petra alsnog onder de aandacht van de wereld gebracht.
Al in 1818 bezochten enkele Engelsen de oude stad, maar het waren twee kunstenaars die de faam van Petra verder verspreidden. De tekeningen van David Roberts en Léon de Laborde legden de schoonheid van de stad in al haar kleuren vast, zodat iedereen er van kon genieten.
Hoewel Petra slechts met veel moeite op een paard of kameel vanuit Jeruzalem bereikt kon worden, kwamen in de tweede helft van de 19e eeuw de eerste geïnteresseerde bezoekers. Rond de eeuwwisseling bood Thomas Cook Travel Company Europese toeristen de mogelijkheid om Petra te bezoeken en in tenten of grotten bij de beroemde stad te overnachten.
Petra werd zo van handelsstad en bedevaartsoord voor joden, moslims en christenen een toeristische trekpleister.
Tot 1985 leefden de bedoeïenen van Petra, de bdoul (of bedul), ín Petra. Zij waren herders en woonden met hun vee in de door hun voorouders, de Nabateeërs, uitgehakte grotten.
In 1985 werd Petra bestemd voor de toeristen en zijn de bedoeïenen op last van de Jordaanse regering verhuisd naar Umm Sayhoun , het nieuwbouwdorp vlak buiten Petra. Sindsdien wonen er nog slechts enkele (oudere) mensen in een grot en zijn er steeds minder herders.

Petra is niet alleen een historisch juweel, de stad ligt ook in een prachtig natuurgebied. Dat blijkt al direct je langs het bezoekerscentrum gaat en begint aan de wandeling door Bab as Siq naar de ingang van de kloof – Je kan gebruik maken van paardjes, die tot aan de Siq rijden en koetsen die tot de benedenstad rijden –. Behalve bergen en schitterende rotsen is dan nog absoluut niets te zien van de stad die geheel verborgen ligt.
Even voorbij de hoofdingang van de site (nog ongeveer 800 meter voor het begin van de Siq) zijn aan de rechterkant drie opvallende en merkwaardige monumenten met een unieke vorm zichtbaar: de Djinn Blokken.
Deze raadselachtige blokken – waarvan de bedoeïenen dachten dat er kwade geesten in huisden – komen hoogstwaarschijnlijk uit de eerste eeuw voor Christus. De hypothese dat dit graven waren werd bevestigd door de kleinere kamers die in de blokken gevonden werden. Het hellende vlak in de achterwand zou gediend hebben om de sarcofaag aan te bevestigen.
Een paar meter verderop, aan de overzijde, staan de eerste twee grote monumenten van Petra te pronken. Ze staan boven op elkaar en lijken zo op het eerste gezicht één architectonisch geheel te vormen.
Het bovenste monument staat bekend als het Obeliskengraf dat zijn naam natuurlijk te danken heeft aan vier hoge obelisken, oorspronkelijk rond de 7 meter hoog. Deze waren waarschijnlijk uit Egypte afkomstig en waren absoluut uniek in Petra. De datering van dit graf blijft problematisch, ondanks dubbele inscripties in het Nabatees en in het Grieks. Het verwijst in beide gevallen naar een Koning Malichos, maar het feit dat er twee Malichossen regeerden (één tussen 59 en 30 voor Christus, en de andere tussen 40 en 70 voor Christus) roept natuurlijk de nodige speculaties op.
Precies onder het Obeliskengraf, maar niet loodrecht eronder, ligt het zogenaamde Bab el Siq Triclinium. Zoals de naam het aangeeft niet echt een grafkamer, maar een triclinaire zaal waar banketten en symposia gehouden werden, die zich regelmatig voordeden ter ere van de overledenen.

De graven in Petra waren altijd voor één individu of hoogstens één familie bestemd. Men hakte een gevel uit de rotswand en maakte daarachter een ruimte van een of meer kamers. In deze ruimte werden de doden bijgezet en hier hield men ook begrafenismalen.
De gevels zijn op verschillende manieren versierd. De eenvoudigste zijn die met één of twee rijen kantelen in de vorm van 'trapgeveltjes', een oud Mesopotamisch motief.
Een iets bewerkter type is de gevel met de vijf 'traptreden', eveneens afkomstig uit het oude Mesopotamië. Deze wordt gecombineerd met een ingang geflankeerd door twee zuilen met Nabatese kapitelen bestaande uit twee puntige uitsteeksels en een knop in het midden.
Ten slotte zijn er de 'classicistische' types, waar de Hellenistische en Romeinse motieven de boventoon voeren. Dit zijn vaak de meest luxueus uitgevoerde gevels, met twee verdiepingen, vrijstaande zuilen en beeldhouwwerk. Deze graven waren bestemd voor koningen en hoogwaardigheidsbekleders.
De simpele graven waren voor de onderlaag van de bevolking.

Op ontelbare plaatsen in Petra zijn kleine nissen in de rotswand uitgehouwen, met daarin een of meer rechthoekige stenen blokken. Soms heeft een van deze stenen blokken of 'betylen' door gestileerde ogen en een neus gezichtstrekken gekregen. Het zijn voorstellingen van Dhushara, de oergod van de Nabateeërs, en zijn partners.

Even verderop zijn de overblijfselen te zien van een dam waarmee de watervoorziening werd geregeld. Petra lag en ligt midden in de woestijn en de Nabateeërs hadden een ingenieus systeem om regenwater in de rotsen op te vangen en via ondergrondse tunnels naar de stad te voeren. Tevens diende hij om het water buiten de nauwe kloof te houden en zo overstromingen in de stad te vermijden.
Het pad gaat vervolgens over in de Siq. De Siq is een natuurlijke, nauwe canyon of kloof tussen de rotsen. De kloof is ongeveer 1200 meter lang en de rotsen aan beide kanten zijn tot meer dan 100 meter hoog.
Er zijn nog de resten te zien van een boog die ingang overspande.
In de wanden is een ingenieus waterleiding systeem aangelegd waarmee Petra voorzien werd van water. Op sommige plaatsen zijn de 2000 jaar oude terracotta pijpen nog zichtbaar.
De wanden zijn hier en daar verfraaid met votiefnissen, gewijd aan de god Dushara in betylvorm.
Het zonlicht komt hier nauwelijks en het is hier dan ook wat koeler. Vandaag voelt het zelfs zeer koud aan door een bijtende wind. Door de kloof liep vroeger een Nabatees-Romeinse weg en op een aantal gedeeltes zijn de overblijfselen hiervan nog te zien. De kloof is een werkelijk schitterend stuk natuur met prachtige (rode) kleuren.

Op het einde van de Siq ontwaart de bezoeker een felgele streep zonlicht die zich moeizaam door de donkere spleet perst. Zodra de ogen gewend zijn aan de felle zonnestralen ziet men langzaam de contouren van de Schatkamer van de Farao het bekendste rotsgebouw én het visitekaartje van Petra.
Dit beeld werd nog bekender door de film Indiana Jones and the Last Crusade die in Petra werd opgenomen.
De Schatkamer of 'Al-Khazneh' is het beroemdste monument van Petra, geheel uitgehouwen in de rode-roze rotsen en een echt kunstwerk. Het werd waarschijnlijk gebouwd als graf voor koning Aretas III in de eerste eeuw voor Christus.
De façade is ongeveer 40 meter hoog en 28 meter breed. De onderkant bestaat uit een galerij van Korinthische zuilen met een gebeeldhouwd fronton. In de zijnissen staan de Dioscuren Castor en Pollux met hun paarden afgebeeld.
De bovenkant bestaat uit een gebroken colonnade met een rond gebouwtje in het midden, waar bovenop een urn staat. Deze urne zou een schat bevatten en hieraan dankt de Schatkamer zijn naam.
In pogingen zich de urne toe te eigenen hebben generaties bedoeïenen getracht deze met hun geweren kapot te schieten, opdat de schat uit de urne zou vallen.
Aan de rechterkant staat een amazone afgebeeld die een bijl boven haar hoofd zwaait. De godin in het midden van het ronde gebouwtje - de tholos - is niet meer te herkennen. Ze stelt waarschijnlijk Isis-Fortuna voor met in de linkerhand de hoorn des overvloeds.
De gaten in de rotswand naast de gevel zijn sporen van de bouwsteigers.
Een trap voert naar de vestibule waar twee portalen naar twee kale zijkamers leiden. Het middenportaal geeft toegang tot de hoofdruimte waar zich drie nissen in bevinden die ooit wellicht sarcofagen en misschien beelden bevatten. 

De datering en de werkelijke functie van de Schatkamer zijn onderwerp van speculatie vanaf het moment dat ze werd ontdekt.
De één dacht dat het een tempel was, de ander dacht dat het een Koninklijk graf was. De archeologische opgravingen die sinds 2003 ondernomen zijn en die nog steeds aan de gang zijn, hebben het raadsel opgelost.
Ten eerste moet men weten dat het originele niveau van de open plek voor het monument zeker 6 tot 7 meter lager was. Op dat niveau werden eerst vier graven met fronton façades uitgegraven.
De vondsten in de graven doen ons inzien dat het om mensen met een hoge rang gaat, bijna zeker een Koning met zijn familieleden. De datering werd vastgesteld aan het begin van het eerste decennia van de eerste eeuw voor Christus, en zou dus gaan om het graf van Aretas IV. Het nu zichtbare gedeelte werd op een later tijdstip gerealiseerd, naar huidige wetenschap moet dit stammen uit 40 – 60 voor Christus.

The date of the Treasury is also unclear, and has to be assessed on stylistic grounds, providing yet more theories. It is tempting to suppose that its ornate carving points to a later period, but Petra has proved a graveyard for such neat solutions.
Some scholars suggest around 25 AD, under Aretas IV who initiated much construction and urban planning, and who may have brought craftsmen from Alexandria. The consensus now favors the reign of Aretas III Philhellene (86-62 BC), a time of great expansion and exposure to Hellenistic ideas.
Whenever it was carved, and for whichever Nabataean king, Hellenistic ideas were here brilliantly transformed into a design that kept a distinctively Nabataean flavor. And whatever its purpose, the sitting of the Treasury at the end of the forbidding twilight of Al-Siq was clearly designed to strike wonder into all who entered the Nabataean capital.


We volgen onze Jordaanse gids verder richting benedenstad.
De rotswanden langs de weg richting het centrum van de oude stad zijn links en rechts bezaaid met uitgehakte graven, waarop de al eerder genoemde trapmotieven zichtbaar zijn.
Naarmate men het theater nadert, worden het er steeds meer. Er is als het ware sprake van complete grafstraten die in een boog om de halfronde toeschouwersruimte heen liggen. Men spreekt dan ook van de straat van de Facaden.
Het theater werd gebouwd in de tijd van Aretas IV, omstreeks het begin van de christelijke jaartelling. Het kon aan circa 8000 mensen plaats geven.
De Romein verbouwden het zonder respect : de zitbanken zijn in de rots uitgehouwen, zodat verschillende graven moesten sneuvelen. De fundamenten van het toneelgebouw liggen direct langs de hoofdweg.
Ongeveer 100 meter voor het theater voert een smalle stenen trap de bergen in naar een hooggelegen offerplaats. Mijn vrouw en enkele andere dapperen zullen later op de dag deze weg nemen.
Voorbij het theater verschijnt het centrum van de oude stad. Aan de rechterzijde leidt een trap naar de drie mooiste grafgevels van Petra die waarschijnlijk de lichamen van de overleden Nabatese koningen herbergden. Men noemt deze graven daarom de konigsgraven.
Het eerste graf is het urnengraf, met een hoge, smalle gevel van vier zuilen en een fronton met een urn op de top. De drie hooggeplaatste nissen bevatten eertijds graven – de middelste misschien van koning Malichus II – en waren afgesloten met portret-bustes. Het gat boven de deur is van latere datum. Voor het graf ligt een terras met zijcolonnades.
Het Korinthische graf is helaas sterk verweerd. De benedenverdieping heeft een gevel met halfzuilen en nissen, de bovenverdieping een gebroken colonnade met een rond tempeltje in het midden net als de el-Khazneh Firaun.
Het derde bouwwerk, het Paleisgraf, is een van de grootste gebouwen in Petra.
De breed opgetrokken gevel toont een drukbewerkte architectuurwand: beneden vier portalen omlijst door zuilen met frontons, daarboven een colonnade bekroond met een geprofileerde lijst.
Aan de rechterkant ziet men de resten van nog een derde verdieping; links valt op dat de hoek van het graf uit steen moest worden toegevoegd, omdat de rotswand niet ver genoeg doorliep. De grafkamers binnenin zijn relatief klein. Men vermoedt dat het graf een imitatie is van een Romeins paleis hetgeen impliceert dat het een van de meest recente bouwwerken is in Petra.

Even voor de Colonadestraat houden we halt bij een winkeltje van een vrouw met haar zonen die onze gids schijnt te kennen:
Marguerite van Geldermalsen schreef het boek 'Ik woonde in een grot'. Zij is Nieuw-Zeelandse, maar van Nederlandse ouders, en schrijft over haar leven in Petra waar zij trouwt met Mohammad.
Zeker als je er geweest bent herken je in haar verhalen de sfeer van Petra. Ook maak je kennis met het leven van de bedoeïenen. Na de dood van Mohammad gaat zij terug naar Nieuw-Zeeland.
Wij ontmoetten haar zoon Raami die naast de toiletten een souvenirwinkeltje heeft. Van hem hoorden wij dat het gezin weer is teruggekeerd naar Petra.

Waarom jullie vannacht niet bij mij logeren - in mijn grot?" vroeg de Bedoeïen. Hij werd helemaal enthousiast bij het idee. En wij waren uit op avontuur.'
Zo begint het verhaal van Marguerite van Geldermalsen waarin ze vertelt hoe ze de vrouw werd van de Jordaanse souvenirverkoper Mohammad Abdallah Othman. Ze woonden in een van de eeuwenoude grotten van Petra. Hun thuis was tweeduizend jaar oud, uitgehakt in de rode rotswand.
Marguerite werd er de lokale verpleegkundige maar leidde verder het leven van elke Bedouïenenvrouw: ze kookte boven open vuur, haalde water met de ezel en dronk zoete, zwarte thee in de schaduw van een geitenharen tent.
Ze danste mee tijdens huwelijksfeesten en ontbeet buiten, zittend op de rotswand bij het licht van de opkomende zon.
Ze kreeg drie kinderen en was volmaakt gelukkig. Aan dit exotische spookje kwam pas een eind toen Mohammad overleed, na ruim twintig jaar huwelijk.


We klimmen links wat omhoog naar de Grote tempel. Net voorbij de grote tempel zien we resten van een badhuis. Aan de overkant op de noordelijke heuvel de Byzantijnse kerk uit de 5e of 6e eeuw .
De kerk zou een mooie mozaïekvloer met afbeeldingen van mensen en dieren hebben.
We dalen nu af langs de Qasr al-Bint tempel. Hij is gewijd aan de Nabatese god Dhushara. Het is het enige vrijstaande gebouw van de stad.
Vlakbij de tempelpoort leidt een lange reeks trappen door een kloof omhoog de bergen in naar het Jebel ed-Deir, het zogenoemde Klooster.
Aan het eind van de klim komt men op een bergplateau. Daar verheft zich rechts in de rotswand de gevel van ed-Deir die verreweg het grootste rotsmonument is. De twee verdiepingen met de strakke, haast sobere architectonische opbouw missen alle versieringen van de andere gevels. De kale kamer heeft geen enkele nis voor begraving, zodat ed-Deir misschien een tempel is geweest voor een van de vergoddelijkte koningen van Petra. De nissen in de gevel, twee beneden en drie boven, zouden dan beelden van de vorst en zijn familie hebben bevat. Het gebouw kan bovendien gediend hebben als banketzaal voor leden van de geloofsgemeenschap ter ere van de vergoddelijkte Obodas I. Zijn naam wordt althans in een in de buurt gevonden inscriptie genoemd.
Maar daar zijn wij niet naartoe geweest: 800 trappen.

Collonadestraat

We nemen het middagmaal in het restaurant dat zich even verder bevindt. Het wordt uitgebaat door dezelfde staff als ons hotel Crown Plaza Guesthouse. Het eten is voortreffelijk. Heb ik gehoord van anderen.
Na het middagmaal splitst de groep zich in verschillende individuele groepjes. Met Karel, Salem onze Jordaanse gids of individueel.
Ik ga mee met de groep van Karel. Door de tempelpoort die in 114 n. Chr.  Werd opgericht ter ere van keizer Trajanus in de grote zes meter brede geplaveide straat. In de Romeinse tijd werd Petra uitgebreid met een colonnadestraat.
Het is nog onbekend of deze straat ook een dwarsstraat had en of hij tot aan het theater of misschien nog verder doorliep. Op de terrassen links en rechts van de colonnadestraat stonden de openbare gebouwen van Petra. Daarvan is weinig meer te zien.
Aan de colonnadestraat lag vroeger een nymphaeum, een grote pronkfontein. Daartegenover lag een markt.

Mijn vrouw en nog enkele andere dapperen maken de vermoeiende klim naar De hoge Offerplaats waar je een prachtig uitzicht hebt over een groot gedeelte van de site.
De treden leiden door een nauwe kloof naar een plateau met muren die ooit het poortgebouw voor de altaarplaats vormden en twee obelisken van zes meter hoog. Men veronderstelt dat de obelisken de twee belangrijkste Nabatese goden, Dushara en al-Uzaa, voorstelden.
Door het poortgebouw komt men bij de hoge offerplaats. De plaats omvat een plein, waar zitbanken voor de gelovigen omheen stonden en waar op een klein platform in het midden vermoedelijk de priester stond. Hier liggen een waterbekken voor rituele wassingen, een offertafel en twee altaren op platforms.
Tijdens een ceremonie werd de betyl op het altaar neergezet. De gelovigen brachten hem offers en overgoten hem met bloed als plengoffer.
Het ronde altaar heeft goten voor het bloed van de offerdieren.
Heeft mijn vrouw me verteld.

Ik passeer opnieuw even aan de Al-Khazneh die nu een heel andere meer grijze kleur heeft.
Ik strompel de hele Siq weer (lichtjes) omhoog hier en daar nog een foto nemend, om uiteindelijk omringd door vriendelijke paarden- en ezelmenners die het verhaal van de barmhartige samaritaan wensen over te doen de gate te bereiken.
Het bed in het Crown Plaza Petra Guesthouse is nog nooit zo welkom geweest.

J





Vrijdag 20 november: Klein Petra, Wadi rum , Dode zee



Petra is beter dan de piramides van Gizeh of de tempel van Aboe Simbel in Egypte, omdat je hier een unieke combinatie ziet van geologische pracht en historisch unieke en intacte gebouwen in een ingesloten omgeving. Vandaag zijn we reed vroeg op pad voor een toemaatje.

Een kilometer of tien ten noorden van Petra ligt Beidha, een gebied dat de bedoeïnen 'Little Petra' noemen.
Aan de ingang is een parkeerterrein met grote bedoeïenententen waar men soevenirs tracht te slijten.
Net als in Petra hebben de Nabateeërs hier grotten uitgehakt in een kloof, de siq Al-Barid. Een bezoek aan de siq is zeker de moeite waard, een smalle kloof van ongeveer 500 m die doodloopt. Hij is afgeboord met graven, monumenten en tombes met soms eetbanken en onderliggende waterreservoirs. In eentje waren Nabateaanse muur- en plafondschilderingen te vinden: in het midden een vervaagd medaillon en slingers met bloemen en vogels.

Hier woont nog een aantal semi-nomadische bedoeïenen (van de aan de bdoul verwante ammarin-stam) met hun kuddes in traditionele tenten van kamelenhaar. De natuur van Little Petra is mooi: eeuwenoude olijfbomen, een enkele verdwaalde duizenden jaren oude rotswoningen en veel fraaie, grillige rotsformaties waar je heerlijk beschut kunt vertoeven, een vuur kunt stoken om thee te zetten en een maaltijd te bereiden.


wadi rum

We rijden verder richting Wadi Rum. We nemen het middagmaal in een restaurantje waar buiten twee oude Belgische spoorwegwagons dienst doen als 'visitors reception'.
Na het eten rijden we naar de parking even buiten het stadje waar de jeeps in grote getale klaarstaan voor een drie uur durende rondrit. Salem duidt de route aan op een grote satelietfoto. Moeilijk om te memoriseren en controleren.

In Wadi Rum, zestig kilometer ten noorden van Aqaba, heeft de natuur in al zijn immense onvrijwilligheid een kunstwerk gecreëerd dat zijn gelijke niet kent. De woestijn is een onherbergzaam oord voor de mens: er is bijna geen water, de temperatuur is er hoog en zeer variabel en de zandgrond is geen basis voor een lange sedentaire bezetting.
Maar omdat het gesteente hier enkele miljoenen jaren geleden werd opgestuwd en deze voormalige zeebodem nu ligt te blakeren onder de zon, heeft ze hier naar menselijke normen een visueel prachtig natuurlijk ecosysteem nagelaten waarin zich een aantal stammen hebben gevestigd, de bedoeïenen, die de strijd tegen de natuurelementen hebben aangebonden om hier te overleven.
Zoiets vinden wij als Westerse mens fantastisch en daarom begint dit gebied meer en meer in trek te komen bij toeristen die deze wisselwerking tussen mens en de wrede, prachtige natuur willen aanschouwen zonder er zelf bij betrokken te geraken.

We verdelen ons over zes jeeps en met onze jonge bedoeïenenchauffeurs bezoeken we verschillende bedoeïenententen en bewonderen Nabateese rotsinscripties en fantastische vergezichten.
Op een bepaald ogenblik houden we halt om thee te drinken. Tot onze verwondering moeten we daarbij meehelpen: hout sprokkelen en tussen een hoopje stenen een vuurtje stoken. In zwartgeblakerde theeketeltjes maken ze thee, ‘shaj', hun favoriete drank.
Ze drinken het in kleine glaasjes, de hele dag door. Na het eten schenken ze hun gasten graag 'bedouin whisky' (gewoon: thee).
De thee is zwart en zoet; de verhouding tussen thee en suiker is ongeveer één op drie.
Behalve thee drinkt men graag kamelenmelk, geitenmelk en koffie. Kamelenmelk is dusdanig voedzaam dat het een uitstekend ontbijt is. De bedoeïenen in de woestijn teren soms de hele dag op kamelenmelk en thee.
We zijn ook even gestopt bij een hoop op elkaar gestapelde stenen die samen het voormalige huis van Lawrence of Arabia vormden. Het is gebouwd op de fundamenten van een (kleine)Nabateaanse tempel.

De wind waait hard en koud in de open laadbakken. Als je niet in de eerste jeep rijdt krijg je bovendien al het opwaaiende zand in je gezicht.
Nu en dan moeten we halt houden wanneer een van de jeeps na een lekke band (vliegensvlug hersteld) niet meer volgt.
Tegen zonsondergang bereiken we de parkeerplaats. Na een flinke fooi aan de chauffeurs haasten we ons hartverwarmend naar het Golden Tulip Hotel in Aquaba.

Tijdens het avondmaal brengen we hulde aan Karel en Lutgarde. We overhandigen hen een mozaiekje voorstellende de 'levensboom' dat we kochten in de mozaiekstad Madaba.
Karel is zichtbaar ontroerd en misschien opgelucht dat hij het weer eens goed gedaan heeft met deze groep (en de gidsen, en de kruiers, en ....) . Het is tenslotte een zware verantwoordelijkheid. Nog een lang leven Lutgarde en Karel !



Karel en Lutgarde uit Ieper
Ze trokken gezwind alsmaar dieper
De Petra kloof in
En daar, met liefelijke zin
Gaf Lutgarde aan Karel .. ne pieper



Na het avondmaal trekken we met Salem nog even de stad in. We kijken naar het vuurwerk dat afgeschoten wordt in het luxueuse Kempinski hotel. We slaan een voorraad noten en dadels in.

stad

Zaterdag 21 november: Aqaba



Aqaba is het eindpunt van de reis. De publieke stranden in het centrum zijn redelijk proper maar om echt te genieten van de zuiverheid van het water moet je een taxi nemen tot op enkele kilometers van de Saudische grens, waar zich het Royal Diving Centre bevindt en je kunt genieten van de prachtige onderwaterflora en -fauna van de Rode Zee. Sommigen van ons nemen een bootje met glasbodem om een heel stuk in zee te varen om vissen en koralen te zien.
Wij doen met een groepje nog even een wandeling langs het strand en door de stad. In de verte zien we Eilat (Israel) liggen. Vanuit ons hotelraam zagen we een enorme vlaggenmast, net als in Amman en aangezien we die niet van dichtbij hadden gezien, wilden we deze kans niet laten lopen. Het bleek dat deze vlag nog hoger en groter was dan die in Amman en we vermoedden dat het ook een beetje was om indruk te maken op Israël en Egypte aan de overkant van het water.
We proberen nog even te praten met de mensen die aan het eten zijn op de terrasjes. Heel vriendelijk staat een engels sprekende ons te woord. We mogen zelfs proeven. In het park spreken enkele jonge meisjes met hoofddoek ons aan.

Rond de middag begeven we ons naar de luchthaven van Aqaba.
Einde van een prachtige reis.

zee